Recycling Netwerk - Andere Thema's

«««

Zwerfafval

17 september 2009

Zwerfafval kost Nederland jaarlijks zo’n 250 miljoen euro, dat is bijna 40 euro per huishouden per jaar. Die kosten worden betaald via de afvalstoffenheffing en de onroerende zaak belasting. Over het ontstaan van zwerfafval zijn veel onzinverhalen in omloop gebracht. Is zwerfafval echt de schuld van “de jongeren”? Zijn drankverpakkingen echt maar zo’n klein deel van het totale zwerfafval? En is zwerfafval echt alleen maar een probleem in de buurt van scholen, sportverenigingen en snelwegen?

Met behulp van duidelijke onderzoekscijfers1 en een dosis gezond verstand gaan we hier in op de schuldvraag en andere achtergronden van zwerfafval.

Zwerfafval is niet de schuld van “de jongeren”
Mensen die buitenshuis iets hebben gedronken, gegeten, gerookt, gelezen etc. zijn de grootste veroorzakers van zwerfafval. Ze gaan nonchalant om met wat overblijft: laten hun blikje achter, gooien hun patatbakje op de grond, laten hun krant liggen of droppen hun flesje in de goot.

Zijn alleen jongeren zo slordig en is zwerfafval dus een typische jongerenkwaal? Geenszins, zo blijkt uit het gedragsonderzoek dat sinds 2001 jaarlijks wordt uitgevoerd. Zo’n 80% van de ondervraagden is van mening: “iedereen laat wel eens iets als een papiertje, peukje, blikje of zo op straat achter”. En meer dan 40% geeft desgevraagd toe dat ze dat zelf ook wel eens doen. Jongeren scoren daarbij wel iets hoger, met name jongeren onder de 18, maar er is geen leeftijdscategorie die onder de 30% komt – ook 50-plussers niet. Driekwart van de mensen die aangeven zwerfafval van blikjes en flesjes te veroorzaken is ouder dan 24.

De officiële zwerfafval monitoring wijst bovendien uit dat dit gedrag van Nederlanders – naar eigen zeggen – niet is veranderd.

De belangrijkste component: blikjes en flesjes

Zwerfafval is niet milieugevaarlijk, maar hinderlijk afval dat relatief duur is om op te ruimen. De belangrijkste componenten van zwerfafval noemen wij daarom de componenten die mensen het hinderlijkst vinden en die het meest kosten om op te ruimen.

Het opruimen van zwerfafval is een volume-kwestie. Niet het gewicht van het zwerfafval of het aantal stuks, maar het volume is bepalend voor de kosten die worden gemaakt bij het reinigen van straten en pleinen en voor het afvoeren van het zwerfafval. Omdat blikjes en flesjes zo volumineus zijn, moet 20 tot 30% van de kosten van het opruimen van zwerfafval worden toegerekend aan blikjes en flesjes.

Wat hinder betreft laat het gedragsonderzoek overduidelijk zien dat de Nederlander zich het meest stoort aan blikjes (1) en flesjes (2). Al vier jaar op rij noemt ongeveer de helft van de ondervraagden blikjes als het zwerfafval waar het eerst iets aan gedaan moet worden, terwijl bijna een kwart blikjes als tweede noemt. Flesjes werden in 2001 nog maar door 14% van de ondervraagden als eerste of tweede genoemd, maar in 2004 was dat percentage al gestegen tot bijna 40%.

Zwerfafval ligt overal
Over de plaatsen waar zwerfafval wordt veroorzaakt is –te- weinig bekend.
Kort nadat Nijmegen was verkozen tot “schoonste stad van Nederland”, opende de burgemeester een gemeentelijk afvalcongres. Ze verzuchtte daarbij dat ze nu in de hele stad door burgers werd aangesproken: die ene kilometer straat mocht dan wel goed worden schoongehouden, maar er was niet gekeken naar het zwerfafval in hún buurt. Dat schetst in een notendop een belangrijk probleem van de aanpak van zwerfafval: Onvoldoende kennis over de brede spreiding van zwerfafval kan leiden tot een overschatting van beleidsresultaten.

Het uitgevoerde gedragsonderzoek levert slechts een ‘indicatieve ranking’ op van locaties waar het zwerfafval terecht komt. Op basis van dat onderzoek wordt echter wel duidelijk dat het niet verstandig is om de aanpak van zwerfafval van blikjes en flesjes vooral te richten op de omgeving van scholen en sportvoorzieningen. Die locaties hadden de afgelopen jaren ieder slechts een aandeel van 10 tot 15 % in dit zwerfafval. Veel belangrijker blijken locaties die gerelateerd zijn aan recreatie, aan autogebruik of aan ‘gewoon buiten zijn’ (lopen op straat, winkelen, bezoek van kraampjes, snackbars, etc.).

De meest vervuilde locaties, die zijn uitgezocht om te meten of de aanpak van zwerfafval succes heeft, blijken een tamelijk willekeurige selectie te zijn. Opvallend is bijvoorbeeld dat bijna 40% van die meetlocaties te vinden is in winkelstraten, terwijl de laatste jaren slechts enkele procenten van het zwerfafval daar zou worden veroorzaakt. Zwerfafval is echt overal te vinden en er is dus een aanpak nodig die zich niet beperkt tot bepaalde locaties.

1 We baseren ons hierbij vooral op gegevens uit het door het Ministerie van VROM en bedrijfsleven (SVM-Pact) gezamenlijk gefinancierd onderzoek dat sinds 2001/2002 jaarlijks is uitgevoerd door de bureau’s Trendbox en Oranjewoud.

Feiten
  • Zowel jongeren als ouderen veroorzaken zwerfafval. Een aanpak die zich beperkt tot jongeren laat het grootste deel van het zwerfafval links liggen.
  • Blikjes en flesjes zijn de belangrijkste component van het zwerfafval, omdat ze zoveel ruimte innemen en vooral omdat de burger zich er het meest aan ergert.
  • Slechts een klein deel van het zwerfafval van blikjes en flesjes is te vinden in de buurt van scholen en sportvoorzieningen.
  • Omdat zwerfafval wordt veroorzaakt op veel verschillende locaties is meer nodig dan een aanpak die zich richt op de meest vervuilde locaties.
 
Recycling Netwerk
  • De aanpak van blikjes en flesjes staat bovenaan de lijst. Invoering van statiegeld is daarbij het verstandigst, ook omdat met een aanpak gericht op de meest vervuilde locaties teveel zwerfafval blijft liggen.